Archive for ‘wie hört man?’

February 24, 2010

Deep Sound: Pantha du Prince, Jodis, Autechre

Autechre - OverstepsPop blijft verbazen. De parameters zijn nauw, het spectrum lijkt beperkt. Pop is echter even technisch als gecomponeerde muziek waar het op geluid en productie aankomt. Kan een conservatoriumstudent ons het verschil vertellen tussen de majestueuze popsound van Black Noise, de nieuwe van Pantha du Prince, die hiermee het repetitieve van house en techno tegelijk ontstijgt en bekrachtigt en de Totale Abstractie van Oversteps, Autechre’s laatste? Noten lezen heeft geen zin, een geoefend modern Oor voldoet; maar let wel, een geoefend oor is hier vereist.

Waar Pantha progressie maakt lijkt Autechre last te hebben van cult stasis, zoals de Wire meldt. Is het niet elke keer eigenlijk weer dezelfde plaat die ze afleveren? Nee, Oversteps is toch net even weer een stap verder en zijwaarts ten opzichte van Quaristice, recht evenredig met de precisering van de software (Autechre werkt nu met 24 bits/96 kHz downloadable files, die de cd nu echt overbodig maken) die we ook op Monolake’s laatste hoorden. Techniek door micrologische attentie voor geluid. Dat Pantha en Autechre toch idiosyncratische platen maken, bevestigt het kritisch-individuele gehalte van de micrologie van Pop: de monade van de muzikale track correspondeert met het subjectieve van de producent.

Mutatis mutandis gebeurt hetzelfde bij Jodis, het nieuwe verband van James Plotkin, master engineer in metal circles. Jodis is de opvolger van het helaas niet langer bestaande Khanate, wier Clean Hands Go Foul afgelopen jaar een van Neergeslagen Ogen’s favorieten was. Secret House, het debuut van Jodis, is Post-Metal. Vergeet Sunn O))). Secret House is Codeine voor metalheads en überromantisch. Het is hier dat Pop geen pop meer is en klassiek wordt – in de juiste zin van het woord. Op Secret House gaan techniek – luister naar die serieel geplaatste individuele gitaarnoten, de spaarzaam getroffen tomtom en bekkens, de nu eens gruntende dan weer zingende vocalen – en maagdelijk sound design hand in hand.

Pantha du PrinceBlack Noise [cd/lp Rough Trade]
AutechreOversteps [lp/download Warp]
JodisSecret House [cd Hydra Head]

Advertisements
February 2, 2010

Shearwater en verhaasting

ShearwaterOnlangs werd Jonathan Meiburg, lead singer van Shearwater, gevraagd of hij zijn held Mark Hollis zou willen ontmoeten. ‘Nee’ was het resolute antwoord. ‘Wat moet je ‘m zeggen, dat je een fan bent van z’n muziek? Da’s een regelrechte conversation killer’. Fair point. Toch zou Meiburg het ‘ns moeten doen om een oorvijg van Hollis te krijgen over wat hij op z’n laatste plaat niet heeft gedaan. Rook, alweer uit 2008 en binnenkort opgevolgd door Golden Archipelago, de afsluiter van een ecologische trilogie, heeft geen balans.
Daar lijden de besten in de muziek aan, maar balans is dé signifier voor genialiteit in de muziek. Boulez lichtte dit recentelijk toe: bij korte stukken, zoals in de meeste Franse muziek of zeker bij de tweede Weense school, is dat relatief makkelijk; de ene Satz wisselt snel de andere af en zo wordt van nature balans in de composities gebracht. Balans in langere of lange stukken vergt het uitstippelen van wat Boulez een ‘trajectory’ noemt: planning en structuur om ervoor te zorgen dat gedurende een Satz van pakweg 25 minuten sloppiness niet intreedt. Alles moet immers exact gespeeld kunnen worden in het juiste tempo en dan moet je – zowel als componist als dirigent – overzicht hebben. Mahler had balansgevoel (niet gek met die lengtes!), en Wagners scores kenmerken zich door perfecte balans. Mahlers aanwijzingen ‘nicht zu schnell’, ‘ohne Hast’ geven aan dat leise niet leise genug is. Gek genoeg had, naar Boulez’ zeggen, Berg er meer moeite mee, en Berg is niet de minste. Natuurlijk is dat nauwelijks te horen voor een leek (i.e. iemand die geen scores leest), want Bergs andere kwaliteiten compenseren wat aan balans zou mankeren.
Shearwater is verre van geniaal in de zin van Mahler, Wagner of Berg (niet voor niets de drie meesters waaraan Adorno zijn musikalische Monographien besteedt). Maar er is een punt van overeenkomst met Berg: moeite met balans. Maar waar Berg het kan ‘camoufleren’ door dynamiek en intensiteit, lost Shearwater het op door de snelheid op te voeren. Rook lijdt eraan. Bij de eerste beluistering is men sterk geneigd hier overheen te luisteren. Rook is op het eerste gehoor een atypische popplaat die begeistert. De synthese van rock met akoestische elementen – veel strings, glockenspiel, piano, blaaswerk – wordt technisch adequaat uitgevoerd. Ook op vocaal gebied stijgt Shearwater ver boven de popmiddelmaat uit. Thematisch – zowel muzikaal als lyrisch – mag het nochtans niet bepaald avantgarde genoemd worden.
Maar het grote probleem is balans: dat de plaat slechts zo’n 38 minuten duurt, met 10 nummers dus gemiddeld minder dan 4 minuten per track, is indicatief. Neem Leviathan Unbound: de simpele pianoriedel, de snelle basloopjes, het glockenspiel en vooral de obligate strijkers wijzen allen op een veel te snelle muzikale afwikkeling. De ontwikkeling is niet natuurlijk vanuit het begin, maar focust van meetaf aan al op het einde van het nummer. Het moet zo snel mogelijk af. Bij punk en hardcore, die minimale middelen inzetten, is dat de essentie van de muziek. Maar als je, zoals bij Shearwater, opteert voor een maximaal arrangement met een groot instrumentaal palet, is fasering noodzakelijk. Op Rook krijgen de instrumenten nauwelijks de kans om zich, in het geheel van het arrangement, te laren horen; alles staat in het teken van de overheersende track. Maar wat, in muziek, is het geheel méer dan zijn delen? Shearwater lijdt hier aan een algemeen euvel in de pop: overvolle instrumentatie, verder geholpen door de mogelijkheden van software zoals ProTools, in amper 3 of 4 minuten. De pop is verhaast en wil entertainment. Dat is prima bij Annie, maar Shearwater heeft meer ambitie, die het niet kan waarmaken.
Als we Shearwater vergelijken met Talk Talk – en dat wil Meiburg zelf zo graag, getuige de cover van The Rainbow – dan horen we direct waar het probleem ligt. Spirit of Eden en Laughing Stock, nog afgezien van hun andere kwalitatieve kenmerken, zijn meesterwerken in muzikale balans, op het tergende af (je zou kunnen zeggen dat Talk Talk misschien wel het andere extreem opzoekt en derhalve de balans anderzins dreigt te verliezen). Sommige nummers (I Was A Cloud, het instrumentale South Col), of gedeelten van nummers (de eerste paar maten van Home Life of Lost Boys), op Rook zijn ok – wat balans betreft; op het moment echter dat het dramatische naar voren komt, zoals in Century Eyes, verslikken Meiburg en de zijnen zich in het ritme; vergeleken met Desire, het Talk Talk-nummer dat model zal hebben gestaan, moet Century Eyes nicht so schnell gespeeld worden. Single The Snow Leopard begint veelbelovend, maar wordt dan toch op momenten weer te snel afgedraaid. Het had nèt even meer ritenuto gespeeld moeten worden, waardoor het arrangement van bas, drum, gitaar en blaaswerk een tikkeltje beter tot zijn recht zou zijn gekomen.
Wat ook al niet helpt is de luide mastering van Greg Calbi, die zich vaker (ondanks zijn protestaties van het tegendeel) bezondigt aan loudness. Door het gecomprimeerde dynamische bereik wordt het gebrek aan balans versterkt (dat is in ieder geval op cd zo). Het probleem deed zich ook al voor op Palo Santo, Rooks m.i. te prefereren voorganger. Het is afwachten wat Golden Archipelago, uit op 15 februari, ons brengt.

January 18, 2010

de cultuurindustrie op z’n kant

Solange - Stillness is the MoveAltijd de genuanceerde marxist, het was voor Adorno nooit een geval van autonome kunst vs. cultuurindustrie alsof de twee elkaar uitsluiten. Zijn idee van autonome kunst is zelf al noodzakelijk paradoxaal – want autonoom precies omdat de historisch-sociologische conditie het mogelijk maakte te abstraheren van die conditie. Dit heeft een evenredig effect op zijn opvatting over de cultuurindustrie in relatie tot hoge kunst. Die sluiten elkaar niet uit, maar in. De kritisch-elitaire houding holt de industrie van binnenuit uit op het moment dat ze terzelfdertijd eraan gebonden is. Pop is – beter dan de gefossiliseerde producten van canonieke klassieke muziek en de contraire zelfillusie van post-serialisme – in staat om deze contradictie tot uitdrukking te brengen. Het zoeken naar evenwicht tussen commercie en kunst is een balanceertruc die bijvoorbeeld Solange met haar R&B-renditie van de Dirty Projectors single Stillness is the Move met elegantie volbrengt. Kritiek door smaak van hen van wie het normaliter niet verwacht wordt. Niet dat de R&B vreemd is aan het nummer; precies niet, Solange weet de vorm in haar essentie te pakken door het nogmaals, deze keer in een non-indie commercieel jasje, te benadrukken, te verscherpen. Tegelijkertijd herinnert ze, door haar hoge vocale bereik, de indie-industrie aan de eisen die intrinsiek zijn aan muziek, wat het kritisch potentieel alleen maar verhoogt.

Solange – Stillness is the Move

[zie ook de vorige post in de serie wie hört man?]

December 23, 2009

POP 2009

Sally ShapiroWe like pop (no, really!). Pop is het domein waar de cultuur nog het meest autonoom kan verschijnen, door de cultuurindustriële marktdwang heen, die ook reinigt. Juist omdat pop anders dan de ‘hoge’ cultuur nog niet volledig doorgesubsidieerd is, kan er iets van die algemenere vrijheid in oplichten, die zich ook in 2009 niet gerealiseerd heeft. En oh, die altijd mysterieuze two-step van de pop waarin volledige commodificatie wordt aangehaald en vermeden tegelijk… (Applaus!)

Sally Shapiro, My Fantasy op Youtube hier
Sally Shapiro, Looking at the Stars op Youtube hier
Annie, I Don’t Like Your Band op Youtube hier

Annie - I Don't Like Your BandDat de sophomore albums van de beide grootste pop-diva’s van dit moment licht tegenvielen hoeft niet zeer te verbazen en valt voor een groot deel te wijten aan de in mijn oren weinig verkwikkende retro trance-mode (bizar trouwens hoeveel echo’s van de U96-Das Boot-song dit jaar te horen waren). Het fijne, en ik ben dan geneigd te zeggen: het progressieve, aan bovenstaande nummers is hoe de disco op Scandinavische wijze ‘onschuldig’ gemaakt wordt; hoe anders dan het nog altijd hegemoniale geilheidsvertoog van Amerikaanse r/b. Voor wat betreft het volgende nummer stel ik dan ook een exclusief Europese beluistering voor:

Dirty Projectors, Stillness is the Move op Youtube hier

Dirty Projectors - Stillness is the MoveJammer genoeg leren de Youtube-comments mij dat wat ik in de tekst meende te horen, “depression is a truth, there is nothing we can’t do”, niet helemaal juist is. Maar verder blijft dit nummer van een wonderbaarlijke perfectie. Het mirakel van pop: hoe uit betrekkelijk eenvoudige middelen (dat dwingende, maar lichtvoetige Afrikaans-achtige gitaarloopje, die fraaie (zelfgeschreven!) strijkerspartij (die haar gravitas zo onnadrukkelijk brengt), etc.) iets ontstaat dat volkomen nieuwe werelden kan suggereren. Het is natuurlijk niet voor niets dat het juist dit nummer is dat zo’n hit is geworden. We hopen van harte dat ‘arrangeur’ David Longstreth deze harde les van de pop niet naast zich neerlegt. Dat hij beseft dat het in de pop contraproductief is koste-wat-kost moeilijk te willen doen, via die van hem nu wel bekende proggy interrupties en collage-stijl überblendungen — die met alle hoge cultuur connotaties vanzelfsprekend op de nodige verwarring in de mainstream pers mogen rekenen; well, who cares?
En vooral dat hij niet meer zelf moet gaan zingen.

Jj, Ecstacy op Youtube hier

Jj - EcstacyPerfect hoe die beat en synths en walvisgeluiden (!) in zo’n kort nummer zo’n uitdijende akoestisch/ elektronische melancholie weten op te roepen. Terwijl het helemaal niet zo’n down nummer is. De ep van het mysterieus-anonieme Jj werd door het muzikale geweten van N-O onthaald als: “Jj is terrible crap. Soort new age lambada voor indie weaklings met een zwakte voor slappe percussieve sounds. Je heb ‘m toch niet gekocht?” In eerste instantie is het inderdaad even slikken. Net als bij de laatste cd van The Whitest Boy Alive heb je af en toe het idee dat je volkomen in de maling wordt genomen. Maar na een tijd, de zomer allang weer voorbij, begreep ik opeens dat je hier (in de goede oude woorden van Benjamin) verstrooid en niet geconcentreerd naar moet luisteren, en dan valt alles opeens op zijn plaats. Een meesterwerk en als ep van 26 minuten als één geheel doorgecomponeerd (zie ook Air France) — hoewel de bovenstaande song er wel uitspringt. Eenvoudige jaren 80 liedjes, simpele beats, sprankelende akoestische geluiden (harp), maar ook een songmatige openheid/losheid die me sterk doet denken aan de eerste nog zeer utopische uitingen van het dance/pop samengaan, circa 1992, de vroege St Etienne! Het is eenvoudig, maar tegelijk subtiel. Pure popmuziek die het luisterend subject op heel sociale, weinig geïndividualiseerde manier benadert, als het ware in een buitenruimte met vloeiende overgangen tussen strandtent, zand en zee. De kwestie van uitdifferentiëring van retro-stijlen speelt hier overigens meer een rol dan op het overschatte debuut van de XX’s. Wat wel opvalt is dat net als bij de XX’s de stem eigenlijk ondermaats is, maar bij Jj is dat overkomelijk.

Quick Canal gezongen door Laetitia Sadier, op de plaat van Atlas Sound, op Youtube hier

Quick Canal door Laetitia Sadier - op Atlas SoundWe hebben het er hier al over gehad, maar dit is voor mij hét popmoment van 2009. Iemand op Youtube schrijft, en ik vind dat tamelijk ontroerend: best song I’ve heard up to this point in my life. I think I’ve listened to it 50 times in the past 24 hours. Ah, pop en de eeuwige onschuld van de jeugd. In mijn oudere oren klinkt deze geresigneerde ode aan Bildung uiterst melancholisch. Compare en contrast, lieve lezeres, met French Disko van Stereolab, dat me in deze live-versie opnieuw de tranen in de ogen bracht (I kid you not). Vergelijk “And I say there are still some things worth fighting for/La résistance!” met “All wisdom is learnt/through a costly process of success and failure”.

November 19, 2009

Girls – Album [cd Fantasy Trashcan]

Girls - AlbumGirls, Lust for Life op Youtube hier
Girls, Hellhole Ratrace op Youtube hier

Het grappige van Girls’ debuut is dat het zowel volstrekt indie is als recht-voor-z’n-raap sixties gitaarpop, die zich niet schaamt voor zoete orkestratie. Maar misschien is dat helemaal geen contradictie, want is indie eigenlijk niet altijd zich voor zichzelf schamende mainstream? Girls is bloggers’ muziek, voor jeugdigen met een onhistorisch gevoel voor historie. De Elvis Costello referentie is al gemaakt, en dat doet de muziek ook al geen goed. Niettemin, prettig wegluisterende popplaat voor tussen de Kraftwerk remasters en het ontcijferen van de akoestische nieuwe Excepter LP.

(Dennis Schulting)

Niet onaardig, maar vooral op de achtergrond. De uptempo nummers hebben iets prettig zonnigs, maar wanneer het tempo inzakt hoor je hoe onvast die zanger eigenlijk boven de blikkerige gitaren uitcroont. Die nogal dominante stem klinkt dan misplaatst, alsof een rauwe pubrocker in de lijn Costello-Libertines zich voor de grap voor een avondje pop-karaoke heeft ingeschreven. Sowieso doet het Album (what’s in a name?) vaak denken aan een karaoke exercitie doordat er steeds een andere, voor de luisteraar makkelijk te herkennen stijl uit de popgeschiedenis geïmiteerd wordt (Headache geeft de ontspannen doortokkelende gitaar van Lou Reed’s Coney Island Baby, gedrapeerd met faux-Sinatra-zang, dat is dan wel weer grappig).
Valt Girls’ debuut nog onder de glo-fi te rekenen? Ik denk van niet. De muzikale gebaren hebben een hoog coming out gehalte. De breed uitgemeten probleemjeugd blijkt nodig om deze muziek als ‘diep’ te ervaren; net als bij Atlas Sound wordt de gender-verwarring door deze heterosexuelen toch wat zelfgenoegzaam beleden. Waar deed het me opeens aan denken? In de autobiografische docu Tarnation van een paar jaar geleden (J. Caouette; geproduceerd door Gus Van Sant) komt er een tenenkrommend moment voor waarop de zichzelf filmende Caouette in de camera kijkend zichzelf aan het huilen brengt, natuurlijk met het oog op latere roem: gebaren voor de grote Ander.

(Arnth van Tuinen)

October 19, 2009

vrouwelijke intonatie

The Secret Love Parade, Roscoe (cover van Midlake, live) op Youtube hier 
Meer van The Secret Love Parade op myspace hier
Jeunes filles en fleur. Het verlangen welt hier als vanzelfsprekend op uit jonge kelen. De stem lijkt nog helemaal ingebonden in het zich ontplooiende meisjeslichaam, ziel en verlangen blijven lenteachtig verbonden. The Secret Love Parade maakt lichtvoetige indiepop, zonder dat de Engelse uitspraak van de Nederlandse meisjes me stoort. Eindelijk!  

Hope Sandoval & The Warm Inventons, Blanchard op Youtube hier
Deze stem voelt zich, ongenaakbaar maar warm, volkomen thuis in verstild-psychedelische bluessferen. Ze heeft iets kalm katachtigs over zich (zoals een kat uit Baudelaire). Het nummer lijkt aan de tijd ontheven, zich af te spelen in een andere dimensie. Misschien ‘het eeuwig vrouwelijke’, maar met de onmiskenbare intonatie van seksueel verlangen. Haar stem is in feite zo krachtig dat op de nieuwe cd alle nummers op elkaar gaan lijken, ondanks de voorzichtige variatie van blues en folkschema’s.

Laetitia Sadier, Quick Canal (met Atlas Sound) op Youtube hier
Even ontheven aan de tijd, maar op een andere manier. Laetitia’s stem heeft, voor het eerst gemultitracked en tussen de hemels spiralerende synths en galmende gitaren in geproduceerd, nog nooit zo geresigneerd geklonken. Een elegante pop-meditatie over voorwaartse beweging en cyclische herhaling, de twee grote machten uit de geschiedenis die door deze zich nergens selbstsetzende stem kalm worden aufgehoben.