Underground (Jelinek door NTGent)

Underground - Jellinek(gezien: 20 12 2009 / Stadsschouwburg Amsterdam)

In het theater geven de klassieke repertoiregezelschappen het duidelijkst blijk van de uitputting van het medium. Hoe vaak kun je Shakespeare opvoeren? Als nieuwigheidje combineerde Toneelgroep Amsterdam drie tragedies van de platgetreden bard, een beetje zoals je in de supermarkt bij twee pakken wasmiddel de derde gratis krijgt. Een ander toonaangevend repertoiregezelschap, NTGent, heeft een abonnement op Houellebcq en schrijft in haar beleidsplan (na eerdere ensceneringen van De Wereld Als Markt en Strijd (als Dragelijk), Elementaire Deeltjes en Platform) onder het kopje nieuwe producties simpelweg: “nieuwe roman Michel Houellebecq” – zoals tijdschriften en tvprogramma’s alvast ‘nieuwe roman Kluun’ of ‘nieuwe cd Borsato’ hebben ingepland.

Beide gezelschappen lijken zich onbewust bewust van de eindigheid van theatrale stof, zeker omdat de voormannen van beide gezelschappen, Ivo van Hove en Johan Simons, ambitieus zijn en ‘midden in de wereld’ willen staan (het motto van NTGent, alweer Houellebecq). Maar omdat het theater, anachronismus horribilus, geen eigen verhalen meer te vertellen heeft (en dat ook nooit meer zal krijgen), zoeken grote publieksgezelschappen zoals TA en NTGent hun heil in films en boeken, waar anderen dat proberen in abstractie (Discordia bv) of actualiteit (theatergroep Toetssteen bv met een stuk over Lucia de B). Een kleine greep uit het recente repertoire van alleen die twee gezelschappen, Toneelgroep Amsterdam en NTGent, leest als een beschamend brevet van onvermogen voor een medium dat parasiteert op een ander medium: Opening Night en Husbands (Cassavetes), Rocco en zijn Broers (Visconti), L’Avventura/La Notte/L’Eclisse (Antonioni), Teorema (Pasolini), Hemel boven Berlijn (Wenders), Scènes uit een Huwelijk en Kreten en Gefluister (Bergman), La Grande Bouffe (Ferreri), De Tien Geboden en Trois Couleurs (Kieslowski / en dan was diens Amator – een film die fundamenteel over film gaat – al door Nieuw West gedaan).

Underground - Jellinek

Elfriede Jelinek schrijft eigen teksten, die in de categrie abstract-actueel vallen. Haar theaterteksten worden (volgens de website van de Stadsschouwburg Amsterdam) in het Nederlandstalige theater bijna nooit opgevoerd. Met reden, zo blijkt uit de enscenering door NTGent van Jelineks tekst “De contracten van de koopman”, in het Nederlands omgedoopt tot “Underground”. Waarom die vreemde titelwijziging? Omdat NTGent eigenlijk Murakami had willen doen, maar daar kwam even iets tussen (de crisis) en die titel, ach, nou ja, die stond al in de programmafolders. Op de website van de Stadsschouwburg Amsterdam wordt mbt Underground vermeld: “Sinds het verschijnen van onze seizoensbrochure is de inhoud van de voorstelling gewijzigd. De voorstelling is niet langer gebaseerd op Murakami’s roman ‘Underground’, maar op het toneelstuk ‘De contracten van de koopman’ van Elfriede Jelinek.” De ene actualiteit (Murakami’s boek gaat over terrorisme) vervangen door een andere, meer actuele actualiteit (de kredietkrisis). Voorwaar, een aanpassings- en toe-eigeningsvermogen waar het kapitalisme zelf jaloers op kan zijn.

“Underground” gaat dus over de kredietcrisis. Listig, omdat theater niet bepaald het medium is om systemen en processen uit te beelden. Jelinek is zich bewust van haar positie: “Ik begrijp niets van economie, van het kapitalisme. Toch leek het me zinvol er iets over te schrijven, want de massa gedupeerden snapt er klaarblijkelijk ook niet veel meer van.” Dat is een prima uitgangspunt, maar het probleem is dat Jelinek de economie eigenlijk te serieus neemt, en daardoor abstraheert. Daarmee wordt de val van een te simpele moralisering of psychologisering van economische processen weliswaar vermeden, maar wordt tegelijk een andere truc uit de grammatica van de massamedia toegepast: economie wordt een in zichzelf besloten stukje werkelijkheid, waar wij, economie-leken en artiesten, alleen van afstand naar kunnen kijken en alleen van afstand (in dronkenschap of met artistieke-retorische vrijheid) over kunnen spreken. Economie en kapitalisme worden in Jelineks toch al hermetische woordenbrij ook inhoudelijk verabsoluteerd. Zo wordt de kredietcrisis een afgesloten monoliet, een black box – en nog meer vermythologiseerd dan massamedia al dagelijks doen.

Underground - Jellinek

In de praktijk levert dat lange lappen onbegrijpelijke en onoverzichtelijke tekst op – onbegrijpelijk, omdat er niets verteld wordt; geen verhaal (daar kunnen we mee leven, het is tenslotte theater), geen analyse, geen betekenis. Onoverzichtelijk omdat de tekst in feite niet meer is dan een opsomming van slogans, mantra’s, krantenkoppen en andere soundbites over kapitalisme en hebzucht. Ja, de bankiers zijn meedogenloos in hun jacht op altijd meer; ja, geld is de laatste god op aarde; en ja, ook wij zijn medeplichtig aan het voortwoekeren van het kapitaal – maar dan allemaal op z’n retorisch (“Wij bieden uw geld ontspanning, sport en spel. Bij u was uw geld lui. Uw geld werkt nu voor ons.”). Voeg daar de onvermijdelijke “allure van een Grieks drama” (regisseur Simons in het programmaboekje), Herakles/Hercules (ze worden door elkaar heen gebruikt) en een vleugje Shakespeare bij en we zitten stevig in het zadel van het gangbare actualiteits-paradigma, dat gekenmerkt wordt door een gebrek aan analystisch vermogen en altijd hetzelfde traject aflegt: men neme een krantenbericht (human interest bij voorkeur) en plakke daarop de psychologische en morele opmaak van een klassieke tekst. Zo wordt op het toneel al snel iedere somebody met bloed of andere schuld aan zijn handen een wandelend getroubleerd ethisch dilemma.

De investeringsmaatschappij heet dus Herakles, wat voor de goede verstaander een bijtend commentaar is – de Griekse held werd na 12 zware werken tot halfgod gepromoveerd, maar doodde ook in waanzin zijn eigen vrouw en kinderen. Dit is het hoogste metaforische niveau dat de Oostenrijjkse Nobelprijswinnares bereikt. Het sampelen van de statements en slogans van de media en de managers, en de stereotype platheid die dat met zich meebrengt, is natuurlijk een bewuste strategie van Jelinek, maar wat zij nalaat (net als het kapitalisme in de crisis!), is een meerwaarde te creëren – het blijft bij sampelen en citeren, zonder ook de betekenis van al die woorden te hacken en zich toe te eigenen. Dat zou in de jaren 70 nog aardig gewerkt hebben, maar in een mediacultuur die überhaupt al overloopt van stereotype statements, samples en herhalingen voegt dat niets toe. Jelinek gedraagt zich een beetje zoals dat idiote tv programma, waarin ‘het beste van YouTube’ op tv wordt vertoond.

Underground - Jellinek

De acteurs van NTGent slepen zich verdienstelijk door de tekst heen, maar de hele avond blijft het gevoel zich opdringen dat zij in feite geen flauw idee hebben waar hun voorstelling over gaat. Zij acteren theatraal, klassiek en modieus, wat inderdaad de voordehand liggende optie is bij Jelineks theatrale, klassiek talige tekst: een monoloog wordt ‘gedragen’, in volgspot, op halfverduisterd toneel; er worden veel ensembleposes aangenomen; de bankmanagers worden traditioneel slick gespeeld zoals Al Pacino het ook zou doen; er wordt het publiek ingelopen, er wordt tussen het publiek ingezeten en er wordt veel ferm-parmantig weggelopen – u kent dat wel van Toneelgroep Amsterdam: dat ferm weglopen, omdraaien, terugkeren, als standaard-opvulling van afwezige handelingsmotivatie (vroeger stak men dan, al even parmantig, een sigaret op, maar dat mag kennelijk niet meer). Dat zelfbewuste, theatrale acteren, waar op zich niets mis mee is, versterkt hier de zelfbewuste tekst – en leidt, net als die tekst, tot uitsluiting van het publiek: dat zich helemaal nergens van bewust wordt, behalve van zichzelf (en in toenemende mate van de zitting van de stoel).

Gelukkig zijn daar de trucs van het moderne theater: nog maar een liedje van Bob Dylan – dat geeft zo’n lekker urgent en geëngageerd gevoel. (Devaluatie van het stijlmiddel associatie: er wordt alleen nog gehint naar culturele gemeenplaatsen, opdat het publiek betekenis en waarde van het geïmpliceerde object automatisch in het huidige moment leest. Vooral handig als je zelf niet zoveel te melden hebt.) En hups, voor de zoveelste keer trekken de actrices hun kleren uit, want bankiers, dat zijn hoeren. Dus als een acteur met een masker van (voormalig voorzitter van de raad van bestuur van Fortis) Maurice Lippens opkomt, dan danst een meisje een verleidelijke dans met hem – meer hoeft er niet gezegd te worden (wat ook niet gebeurt) – de lichten dimmen en daar klinkt dat melancholisch-sentimentele Radioheadliedje Exit to Film (onbedoelde zelf-ironie van Simons!) dat ook tientallen auto- en parfumreclames siert. Met economie heeft dit natuurlijk niks te maken, en met theater eigenlijk ook niet meer. Maar de gedachte was wellicht dat dit voor een media-savy publiek, doordrenkt van platte mediabeelden en eenduidige, makkelijk te behappen beeldspraak, een mooie scène met een begrijpelijke esthetiek zou zijn. De mannelijke acteurs hoeven overigens niet uit de kleren, alhoewel die toch ook bankiers spelen. De implicatie is dat de mannelijke bankiers pooiers zijn. Zij gaan gekleed in bling-bling hiphop kleding, waarmee meer dan 1 kwalijk stereotype klakkeloos wordt uitgedragen. Alleen vrouwelijke bankiers zijn hoeren? Slechts vrouwen kunnen hoeren zijn?

Underground - Jellinek

Onder het mandaat van het profit motive stelt het kapitalistische regime allen gelijk. Maar NTGent ziet dus wel degelijk verschil: de vrouwelijke-bankier-als-hoer wordt ondersteund door de vrouwelijke-NTGent-acteur-als-object. Een wat voluptueuzere actrice hoeft (mag?) niet uit de kleren; zij houdt haar trainingspak aan terwijl de actrices die wel in het ‘beeld’ passen in driekwart naakt over het toneel gaan. Hier wreekt zich de eenduidigheid van de black box. Want terwijl kapitalisme over alles gaat (dus ook over objectificatie en commodificatie van de vrouw), gaat “Underground” in feite alleen over de kredietcrisis. Alweer die mediareflex: actualiteit doet de dagelijkse, structurele kwesties vergeten.

Voorbeeld daarvan: in het programmaboekje haalt regisseur Johan Simons Bertold Brecht aan: “een bank stichten is even erg als een bank beroven”. (A wees mij erop dat het origineel als volgt leest: was ist ein Einbruch in eine Bank gegen die Gründung einer Bank? = wat is het beroven van een bank vergeleken bij het stichten van een bank? – uit Die Dreigroschenoper, 1928.) Simons legt uit: “Het is een citaat van Brecht waar ik vaak aan moet denken. Elke week lees je wel een bericht over bankiers die wegwandelen met miljoenen euro’s aan oprotpremies in hun zak.” Brecht schreef niet voor niets “stichten”, wat iets anders is dan “wegwandelen”. En dat is het fundamentele probleem van zowel de tekst als de enscenering. De lovenswaardige ambitie is iets te vertellen over het systeem, waarop wij mensen allang de greep zijn verloren. Maar in de praktijk van Jelinek en NTGent mondt dat uit in precies het tegenovergestelde: niet het systeem krijgt de volle laag, nee, het zijn de rotte appels in het systeem die hebben het gedaan. Johan Simons lijkt de soundbite van Brecht te interpreteren als een kritiek op bankiers in plaats van op (het principe van) banken; het structurele wordt verdrongen door het actuele.

Zo wordt de kredietcrisis eerst gemystificeerd (kapitalisme als monolithische black box) en vervolgens gesimplificeerd (kapitalisme als vice van de slechten). Inderdaad: simplificatie is onvermijdelijk wanneer men een publieksvoorstelling maakt, maar hier wordt een gemystificeerd onderwerp gesimplificeerd – dat is een dubbele reductie, een zich dubbel afkeren van de werkelijkheid.

Underground - Jellinek

Nou ja, het publiek mag nog even schoenen naar de Fortis bestuurders gooien, er worden spandoeken met leuzen opgehouden (op muziek van U2 natuurlijk…), de meisjes gaan nog een keer uit de kleren en er wordt nog wat ongemotiveerd geïmpliceerd (nooit uitgesproken!) dat de kleine belegger behalve medeplichtig, hebzuchtig en egoïstisch ook een ordinaire proleet is. Oh ja: hij doet ook aan incest, die kleine belegger – wat narratief en thematisch weliswaar volkomen overbodig is, maar theatraal heel nuttig, omdat hier dan de in het hedendaagse theater immer onvermijdelijke (en immer betekenisloze) integratie van video op het toneel kan plaatsvinden.

We staan weer buiten. In de gloednieuwe Rabofoyer van de Amsterdamse Stadsschouwburg, pal naast de gloednieuwe Rabozaal. Kosten verbouwing: 36 miljoen. Structurele subsidie NTGent: 2,3 miljoen (link). Kunst mag wat kosten. De waarde van geld is een van die mysteriën van de economie die wij graag simplificeren tot ‘waar voor je geld’.

Advertisements
%d bloggers like this: