het beste van de jaren Nul: Electronica

Het decennium van de vernieuwende electronica is de 90s, niet de jaren nul. De boeddhistisch-prettige bleeptechno, de klunk van de IDM en de zweeftapijten van de techno-ambient die we zagen op labels zoals Warp (Autechre, Black Dog, LFO, Aphex Twin en Polygon Window en natuurlijk het magisch-kinderlijke retro-debuut van Boards of Canada), de vernieuwende dubtechno van Basic Channel en Chain Reaction (Porter Ricks, Monolake, Vainqueur, Matrix, Various Artists), Richie Hawtins experimentele ontwikkeling van prime techno op Sheet One naar een uniek, bijna classicistisch miminalisme op Consumed, de electronica par excellence van Arovane, de Miami-bass styled beat-o-logy van de Schematic-stal (m.n. de verrukkelijke Schematic compilatie LPs Ischemic Strokes en Lily of the Valley zijn showcases van inventiviteit en sheer pleasure), Acid Planet (Funkstörung!), het opgefokte werk op Skam, de ultra-avantgarde van Mego (Farmers Manual, Pita, General Magic, FennO’berg), de sci-fi electronica-jazz van Low Res en Zalonky’s ruigere gooi- en smijtwerk onder de moniker Crank, de Max-Ernst proliferatie op de vierkante millimeter van Thomas Brinkmann, de ongenaakbare bleep’n’squelch techneuten van Mouse on Mars en hun Sonig-label (waar zijn Wang Inc en Vert gebleven?), de eerstelingen van City Centre Offices (de voorloper van het Boomkatimperium, dé electronica outlet aan ‘t einde van 2009) Pan(a)sonics minimale extremisme, Pole’s verfransende gruis op zijn absoluut sublieme primitieve kleurentrilogie (beluisteren op high end draaitafel!), andere Duitse verbluffende electronische popkunst van de hand van To Rococorot en Kreidler, de academische elektroniek van Institut für Feinmotorik op Staubgold, de mathematische acrobatiek van de minimalistische hoogstandjes van snd op hun eigen label en later op Mille Plateaux, dat verder verantwoordelijk is voor ontelbare juwelen (Sturm en Gas van de gebroeders Voigt), briljant sloppy geformuleerde obscure ideologie (fout natuurlijk) en voorbeeldige compilaties; en laten we ook niet de baanbrekende cd-cut-up techniek van vroege Oval, dat de clicks ‘n’ cuts nog zonder opsmuk introduceerde op de weirde popplaat Wohnton, en Markus Popps latere revolutionaire granulaire synthese-experimenten op Ovalcommers en Ovalprocess vergeten: een dergelijke sterrenconstellatie van schier oneindige verkenning van de electronische korrel in sound wordt steeds dunner gezaaid naarmate de jaren ’00 voortschrijden. Het is natuurlijk ook lastig om met iets nieuws te komen, als de parameters van electronica al zo nauw zijn.

Toch zijn er tussen 2000 en 2009 wel een aantal mooie electronica platen verschenen en zelfs een aantal classics (Fennesz, Mordant Music, Demdike Stare) maar het is opvallend dat de beste toch aan ‘t begin van het decennium zijn verschijnen. Dat is een indicatie van het feit dat het tijdperk van de electronica definitief achter ons ligt en dat het meeste wat tegenwoordig verschijnt mosterd na de maaltijd is – ofschoon de nieuwe van Monolake, Silence, met z’n extreem clare & distincte sound een nieuwe weg lijkt te wijzen.

Ook zien we een herhaling van wat eerder al beter, vaak veel en veel beter, gedaan is. De silly hypnagogic pop-hype van 2009, met namen als James Ferraro, Ohneotrix Point Never, Emeralds, opvallend allen Amerikaans, die een gigantesque luddisme tentoonspreiden dat haaks staat op het avantfuturisme van de eerdere generatie, is indicatief voor de regressie die de electronica van nu tekent. De ongeloofwaardige interesse voor de ‘foute’ (en mijns inziens vooral saaie) synth-muziek uit de jaren zeventig en tachtig (Klaus Schulze, Tangerine Dream, Harold Faltermeyer; dan is Jean-Michel Jarre, de man met de musique concrète-achtergrond, toch tienduizend keer interessanter?) is oorzaak van de postmodernisering van de pop na 2000 (zelf een opvallende post factum act, want in de literatuur allang passé): vorm gaat voor inhoud en dat is op z’n minst gek in muziek, waar vorm de inhoud is; de pop van nu is dus eigenlijk geen muziek pur sang, maar geluidsopsmuk van sociologische styling.

De vormexperimenten van de 90’er jaren, die teruggaan op vernieuwende electronische muziek in de compositie bij Stockhausen, Pierre Henry, Maderna en anderen in de jaren 50 en zestig, hebben plaats gemaakt voor de loutere citering en de schier oneindige mogelijkheden van de crossover met de opeenstapelingen van adjectieven (twostep wordt grime, wordt dubstep wordt dubsteptechno; het verschil kunnen horen tussen microhouse, minimal techno, dubambient etc. vergt de Sachverständnis van een popjournalist die de termen zelf uitvindt). Een act van Geschichtsvergessenheit en anti-modern primitivisme. De internetexplosie en de proliferatie van huisvlijt is hier mede debet aan: studio-trickery, polyfonie en geluidsexploratie in de diepte, dat we bijvoorbeeld horen bij de eerste Warp-artiesten, of de muzikale exploitatie van de digitale mogelijkheden van software bij Mego zijn niet besteed aan iPodluisteraars. De chromatisering van electronica in de dubtechno van Basic Channel en Chain Reaction-artiesten – beste voorbeeld: Monolake’s vroege 12”s en debuutcd Hong Kong, een absoluut meesterwerk – wordt nu als commodity te pas en te onpas ingevoegd in het geluidspalet (neem de ontwikkelingen in de techno-dubstep crossover met onze eigen, overgehypte, Martyn en 2562, die bepaald ongunstig afsteken bij de orthodoxe interpretatie van een Deepchord en Intrusion; of de oneindige regressie in de granulaire synthese van een Mountains, Black to Comm, Fennesz-imitator Tim Hecker, Stephan Mathieu en ga zo maar door; wie kent ze nog over pakweg 10 jaar?).

Ook de naiveteit en de pastoralisering van de electronica doet zijn intrede: het Morr label en mutatis mutandis het Zweedse Häpna mixen kinderachtige synthipop-thema’s, tweedehands indieriffjes met bliep-en-piep, veelal akoestisch, waarvan zogenaamd tongue-in-cheek Morr nog wel de grootste boosdoener is (waar is Morr eigenlijk?). Ook Kieran Hebdens Four Tet experimenten met samples uit het rurale veld en mockjazz invecties, al snel gedoopt tot folktronica, zijn teleurstellend te noemen. Zijn meest beklijvende producties zijn die voor andere, niet-electronica muzikanten (zijn collaboraties met Sunburned Hand of the Man, Fire Escape uit 2008 en de nieuwe A, die binnenkort uitkomt, zijn sublieme concocten, Teo Macero-style, van folknoise weirdness en electronica).

Als laatste zien we een verdere pointillisering van de electronica, voortbordurend op wat Mille Plateaux al deed in de 90s: Raster Noton, 12K, Sirr, Room40 zijn (ook nu nog) de meest interessante labels, met Bernhard Günters label Trente Oiseaux wellicht de meest verfijnde en verstilde. De meest vergaande is Ryoji Ikeda, die na zijn meesterwerk +/- uit 1996 zijn soundpalet op streng mathematische wijze verder perfectioneert. De noughties-trilogie Matrix/Dataplex/Test Pattern is deel van zijn globale soundart/multimedia project dat in de electronica, zowel wat impact als kritisch potentieel, zijn gelijke niet kent. Mathematisch gecalculeerde mimese van een mathematisch calculerende maatschappij.

Toch: de muziek in deze avantgardistische hoek van de electronica – of is het nog muziek? – is volstrekt oncommercieel en de ene plaat is moeilijk van de andere te onderscheiden. De ene click of patch klinkt als de andere en het is de vraag in hoeverre hier, gezien de limietloze vloed aan cds en limited editions, de op zich lovenswaardige cottage industry aanpak (vaak gepaard gaand met zeer kunstzinnige verpakking in allerhande onhandige formats) niet zichzelf aufhebt tot een nieuwerwets mercantilisme, waaraan de kunst zelf ondergeschikt is. De inwisselbaarheid van zelfs de beste cds roept de vraag op: wanneer moet ik stoppen? Moet ik die nieuwste Alva Noto nou echt wel hebben? Is de einder van de modische Verfransung en extreme proliferatie in de electronische popmuziek in zicht?

Maar wat zijn dan de notwendige electronica platen van de afgelopen 10 jaar? Hieronder de 5 albums die man unbedingt haben muss en een willekeurige lijst met een 40-tal essentiële namen in het veld in de jaren 0. Subjectief, doch kenmerkend.

Muss Haben:

Autechre – Confield [warp]
Autechre - ConfieldAutechre’s ontwikkeling van IDM duo, met z’n duidelijke wortels in hiphop en electro, tot softwaremanipulators is een gestage abstrahering uit het prettigconformistische moeras van electronische dilletanten. Nadat ze vanaf Chiastic Slide hun eigen software ontwikkelen voor hun platen wordt het allengs ijler en rauwer. Hoogtepunt is Confield uit 2001, een gothisch monster dat verklankt hoe de maatschappij aan het begin van het decennium een Frankensteinlab is dat door z’n rationele beginsel voor experimentatie consequent te vervolgen de grootste gedrochten produceert. Het principe van de wetenschap komt erop neer dat je eruithaalt wat je erin legt. De natuur kan soms onverwachte verrassingen opleveren. Autechre is de perfecte configuratie van a-sociale kunst die toch streng refereert.

Fennesz – Venice [touch]
Fennesz - VeniceEndless Summer wordt vaak genoemd als Fennesz’ ultieme statement, maar het is veeleer een transitieplaat. Opvolger Venice laat veel beter -d.w.z. minder artificieel- zien hoe de glitch in pop werkt. De noise-lyriek die je op het prettig bijtende en nog stevig in de vroege Mego-stijl on-gepolijste ruwe diamant plus forty seven degrees 56′ 37″ minus sixteen degrees 51′ 08″ al in nuce kon horen, wordt op Venice beter gestructureerd en afgemeten: het is een softwarematig geproduceerd elegisch adagietto over een hele plaatlengte. Venice (en misschien ook diens opvolger Black Sea uit 2008) laat zien hoe Fennesz digitale chromatiek met zin voor eenvoudige tonale melodie in de pop gestalte geeft. Gewoon modern-romantische popmuziek dus. Voor Mahler-nutters die even geen Mahler op willen zetten.

Lawrence English – Kiri No Oto [touch]
Lawrence English - Kiri No OtoKiri No Oto schijnt Japans te zijn voor ‘geluid van de mist’. En dat is wat je, met enige verbeelding en amplificatie, ook te horen krijgt. Het is ambient die tegelijkertijd behoorlijk noisy klinkt: een enorm dichte, claustrofobische sound die toch vederlicht in het gehoor ligt. Het zalvende lawaai van het derde nummer op de cd, passend getiteld White Spray, laat dit het best horen. Zoals een collega het verwoordde, wat je hoort doet kalm èn op een of andere manier industrial aan. Net als Fennesz speelt English met de signal-to-noise ratio als het basismateriaal voor zijn muziek. En net als Fennesz is de focus op de suggestie van harmonie en een zekere mate van lyriek, die wordt geconstrueerd uit dat spel met statische elektriciteit. Hoe krijg je uit de rauwe en op zich arbitraire menigvuldigheid van bits of pure sound als bouwstenen een serie tracks die genoeg eigenheid hebben en op zijn minst de schijn van onderlinge samenhang hebben? English laat horen hoe. Esthetisch gesproken is wat English op Kiri No Oto presteert je zuiverste muzikale schepping op het meest basale niveau. Het is experimenteel en toch beslist niet abstract of afstandelijk. Een verplichte cd voor hen die hun drones graag bij tijd en wijle met een portie distortion geserveerd willen, maar niet vies zijn van melodie. [uit de recensie eerder verschenen op Cut-Up]

Deepchord presents: Echospace – The Coldest Season [modern love]
Deepchord presents: Echospace - The Coldest SeasonRip-off van Basic Channel? Jazeker, maar wel een perfecte. En zo mogelijk nog een betere remake dan het origineel. Waar Basic Channel bij tijd en wijle de stompende kick-drum er lomp ingooit, weet Deepchord het insistente ritme op subtielere wijze in de totaal gespatialiseerde sound te verweven. The Coldest Season is vooruitgang door micrologische verschuiving. Minimalisme zoals het hoort!

Mordant Music – Dead Air [MM]
Mordant Music - Dead AirHauntology is de rigueur dezer dagen. De Hauntologists van Mordant Music -eigenlijk is het nu nog maar een man, Ian Hicks – combineren duister sarcasme met carpe diem genot – beats! – en een eccentriek gevoel voor welgemeende distantie (zelfs het ‘from’ bij de adressering op de achterkant van de envelop, waarin ik onlangs een plaat van z’n label kreeg opgestuurd wordt geschreven als froMM – begrijpt u? – een talige kwinkslag die al zijn conversatie met de buitenwereld kenmerkt). Op Dead Air uit 2006, een vroeg meesterwerk, wordt deze Britse weirdness breed uitgemeten in de context van radiofragmenten uit de oude doos op een eerie bed van ongemakkelijk georkestreerde beatmuziek in de lijn van Luke Vibert. Dead Air heeft brisance!

En verder:
Autechre – Quaristice
Asa Chang & Junray – Junray Song Chang / Tsu Gi Ne Pu
So [Oval] – s/t
Mouse on Mars – Idiology/ Varcharz
Fennesz – Endless Summer/ Black Sea
Lawrence English – For Varying Degrees of Winter/ A Colour for Autumn
Ryoji Ikeda – Matrix/ Dataplex/ Test Pattern
Lappetites – Before the Libretto
Monolake – Ice.Stratosphere 12”/ Silence
Murcof – Martes&Utopia / Cosmos
Newworldaquarium – The Dead Bears
Pole – Steingarten/ Steingarten Remixes
snd – stdio/ tender love/ 4,5,6/ atavism
Biosphere – Cirque
Rhythm & Sound – s/t
Morgan Geist – Double Night Time
Boards of Canada – Geogaddi
Fennesz/O’Rourke/Rehberg – The Return of FennO’Berg
Thomas Brinkmann – Klick
Moritz von Oswald Trio – Vertical Ascent
Arovane – Atol Scrap
Claro Intelecto – Metanarrative
Ekkehard Ehlers – Betrieb
General magic – Rechenkönig
ø – Oleva
Mordant Music – The Tower Parts VIII-XVIII/ syMptoMs
Vladislav Delay – Entain/ Anima/ Tummaa
Intrusion – The Seduction of Silence
Telefon Tel Aviv – Immolate Yourself
Junior Boys – Last Exit/ So This is Goodbye/ Begone Dull Care
Mika Vainio – Kajo
Pan Sonic – Aaltopiiri/ Kesto
Jan Jelinek – Loop-Finding Jazz Records/ Kosmischer Pitch
Stilluppsteypa – The immediate past is of no interest to us – 10 years of continuous pointless activities
Demdike Stare – Symbiosis
Flying Lotus – Los Angeles
Paul Wirkus – Déformation Professionnelle
Ben Frost – By the Throat
Deepchord – Vantage Isle Sessions
Rod Modell & Michael Mantra – Radio Fore
Rod Modell – Incense & Black Light
Hell – Teufelswerk

Advertisements
%d bloggers like this: