Musica Elettronica Viva – Live op het Huddersfield Contemporary Music Festival 2009, vrijdag 27 november

mevBS1mevBS2mevBS3Het is slechts sporadisch dat ze optreden. En als er zich dan een kans voordoet om ze live in actie te zien, dan is er weinig dat je verhindert af te reizen naar, in dit geval, het Engelse Pennine-district voor een avondje marginaliteit in de provincie. Het gezelschap Alvin Curran, Richard Teitelbaum en Fredric Rzewski behoort tot de grand-duchy van de improv. Als MEV zijn ze gedrieën, al dan niet aangevuld met andere musici, al ruim veertig jaar bezig met het ter plekke op vrije wijze creëren van gestructureerd electro-akoestisch geluid. In tegenstelling tot jazz – doorgaans geen echte improvisatie – laat MEV er zich op voor staan dat wat ze ten gehore brengen genuine improvisatie is. In de post-concert talk werd dat even duidelijk bevestigd, ofschoon Teitelbaum, de bedachtzame Newyorksjoodse intellectueel met oosterse inslag, zijn vroegere voorliefde voor Coleman en Coltrane niet wenste te verloochenen. Ook het feit dat wijlen Steve Lacy tot voor zijn dood nog deel uitmaakte van MEV zegt genoeg.

mevRW6Het jaarlijks terugkerende Huddersfield Contemporary Music Festival, dat gehouden wordt in de coole en sleeke nieuwbouw van de Huddersfield University, bekend om zijn state of the art toerusting voor electronische compositie, was een passende context voor de cerebrale en tegelijkertijd absoluut spontane MEV-sound. Is MEV-sound ook muziek? In de post-concert talk ontspon zich naar aanleiding van een vraag uit het publiek een discussie over het verschil (of niet) tussen muziek en sound. Rzewski had een duidelijke mening: alleen genoteerde muziek is muziek. De rest is sound, dus ook MEV-“muziek”. Rzewski componeert zelf overigens en is een virtuoos op de vleugel (waarvan acte tijdens een recital de dag volgend op het MEV-concert). Dat alleen genoteerde muziek muziek is, volgens Rzewski, doet niets af aan de intrinsieke waarde van niet-genoteerde muziek, sound dus. Alle improvisatie valt daaronder. Het zou ook gek zijn, als hij wat MEV doet niet op waarde kon schatten. Maar Rzewski had iets van de contrarian. In zeker opzicht had je de neiging ‘m niet geheel serieus te nemen op dit academische punt. Teitelbaum bekende, heel zachtmoedig, zonder zijn collega voor het hoofd te stoten, overal muziek in te horen. Sound is muziek, zodra je er een structuur in ontwaart. Teitelbaums rol, als éen van de toetsenisten (alle drie waren toetsenist, en Teitelbaum en Curran beschikten over twee toetsinstrumenten, ieder hun geprepareerde synthesizers en achter zich een vleugel, terwijl Rzewski soleerde op de vleugel), was om de serene ambient en soms iets opzwellender mentaliteit van MEV te verklanken op de Kurzweil (Curran en Teitelbaum hadden ieder twee verschillende typen synthesizer; Curran speelde op de standaard sample-synthesizer Korg Triton). De bijna boeddhistische aandoende meditatieve gestes, met de voorzichtige plaatsing van de pianohanden, resulteerde in een licht pulserende waas die als continue modulerende achtergrond diende voor de staccato ritmische attack van Curran, die ook nog eens non-muzikale attributen als plastic loodgieterspijpje, ramshoorn, speelgoedtelefoon en sinaasappelen bespeelde.

mev5Curran – ook in de geanimeerde post-concert talk bleek dat – is de meest uitgesproken ideoloog van de drie. Nog steeds de felle soixante-huitard van weleer, argumenteerde Curran dat zowel objectief als subjectief de noodzaak bestaat om de cadans van interjecties te voorzien om de kritische openheid in de creatie van bewegende geluidsvormen te garanderen. Muziekexterne samples waren duidelijk hoorbaar (een telefoon die afging bleek niet van iemand uit het publiek te zijn, maar behoorde tot het geheel), en werden uitermate behendig ritmisch geïntegreerd: paradigmatisch voor virtuoos stante pede componeren, organiseren van gegeven sonisch materiaal. Dus toch muziek! Curran was, anders dan de andere twee, ook als een rockmuzikant lichamelijk gefocust op z’n bezigheden: hij veerde op en neer op zijn pianokruk. Dat gaf een mooi contrast met Teitelbaum, die bijna wegtranscendeerde op z’n modulaties.

Daartussen zat Rzewski, die alleen op de vleugel speelde (de twee anderen hadden de vleugel achter zich, waarop ze samen met Rzewski tegen het eind een improvisatie-pianotrio-recital ten beste gaven). Gezien Rzewski’s opvattingen over genoteerde muziek, was het moeilijk vast te stellen hoe hij – afgezien van het ontbreken van een score – de strikte scheiding tussen muziek en niet-genoteerde sound of improvisatie in TimesMEVacht wist te nemen. Z’n plotselinge interruptie (de anderen speelden door) door naar een vrouw voorin het publiek te lopen en haar een slok uit haar thermosfles te vragen, waarop hij vervolgens weer verderging op de vleugel, had iets arbitrairs, ofschoon het zeker verraste. Als dergelijke gestes het onderscheid met muziek moeten doen blijken blijft er m.i. weinig heel van Rzewski’s conceptuele dualisme.

Het trio was, al improviserend, volstrekt op elkaar ingespeeld. Geen noot teveel. Het leverde een uur durende configuratie van perfect geplaatste soundblokken op, en nam geleidelijk de vorm aan van voortdurende consistentie, als een licht modulerend blok geluid dat z’n dynamiek niet had in melodie of uitgesproken harmonie, noch in de spastische ritmiek van Curran. Wat MEV, als trio, ten gehore bracht is precies hoe melodie, harmonie en ritmiek als synthetisch geheel muziek eerst constitueren, een authentieke vorm van de basisleggen van muzikale structuur met geluidsblokken. Een verademing tussen al de cluttered, softwarematig overgeproduceerde en overgecomprimeerde pop van tegenwoordig.

zie hier voor een recensie van hun recente 4cd overzichtscompilatie MEV 40

Advertisements
%d bloggers like this: