Iedereen Is Muzikaal (debat Spui25 4 dec)

Iedereen is MuzikaalHoewel het minder het beloofde debat werd dan een boekpresentatie (met bijbehorende laudatio), werden er n.a.v. Henkjan Honings recent gepubliceerde boek Iedereen Is Muzikaal genoeg interessante vragen opgeworpen. In hoeverre is muzikaliteit van evolutionair nut voor de mens? En hoe valt een dergelijke aanname überhaupt te bewijzen? Honing bleek voor het schrijven van het boek net als vele andere muziekwetenschappers geprikkeld door een bewering van Steven Pinker, eind jaren 90, dat muzikaliteit niet meer dan een evolutionair bijproduct van de taal is. Muziek als de spreekwoordelijke kwarktaart, lekker maar niet de werkelijke honger stillend. Daartegenin kwam Honing met een sympathieke, maar zoals vaker bij dergelijke grootse perspectieven nogal speculatief overkomende lezing van de mogelijke evolutionaire winst van aangeboren muzikaliteit.

Je zou muzikaliteit dan kunnen opvatten als een vorm van socialiserend spelgedrag zoals dat bij dieren ook veel meer blijkt voor te komen dan lang gedacht werd. En muziek werkt uiteraard sterk bevorderend op de groepscohesie. Merkwaardig genoeg werd door Honing het meest basale Darwiniaanse argument meteen afgeserveerd. Bioloog Tijs Goldschmidt (aan wie het boek werd aangeboden) kwam er evenals inleider Jaap van Heerden terecht op terug. Dat is het verband tussen muziek en sexuele selectie. Muziekmaken als een variant van de pronkende veren van de mannetjespauw: opvallend blijft dat muziek vooral door jongens gemaakt wordt en dat die daarmee in de pubertaire courtship rituals ook aardig scoren (Jimi Hendrix en zijn duizenden groupies). Uit Honings onzinnige tegenargument dat de succesvolle rocksterren doorgaans vroeg sterven blijkt vooral hoe snel er in dit soort discussies zelfs door experts verschillende niveaus (het biologische en het culturele) door elkaar worden gehaald.

Honing stipte nog allerlei interessant empirisch onderzoek naar de muzikaliteit van baby’s aan (baby’s horen meer ritmische nuances dan volwassenen), dat zou aantonen dat muzikaliteit net als het taalvermogen in de klassiek Chomskyaanse zin bij mensen universeel aangeboren is. Interessant wordt dan de vraag naar de verhouding aangeborenheid en leervermogen. Honing meldde dat uit empirisch onderzoek bv ook blijkt dat bij het luisteren naar een in een onbekende stijl gemaakt muziekstuk de muziekexpert en de leek precies evenveel horen. Aan de andere kant was Jaap van Heerden eerder al begonnen met de problematiek van het luisteren naar niet-tonale moderne muziek; hij citeerde Karel van het Reve die lang geleden tot de ontdekking kwam dat voor vrijwel iedereen klassieke muziek mee-neuriebaar moet zijn, omdat er anders psychologisch geen plezier aan wordt beleefd. Een dankbaar onderwerp, kortom. Toch was het jammer dat er helemaal niet werd ingegaan op de voor de verhouding evolutie en cultuur fundamentele controverse: het ‘spandrel’-debat (Stephen Jay Gould).

Advertisements
%d bloggers like this: