Boxcutter, The Field & Burial/Four Tet

Boxcutter - Arecibo MessageNIEUWE BEATS. De nieuwe Boxcutter overtuigt behoorlijk. De ontwikkelingen in de dubstep-techno (getuige onze eigen 2562 en Martyn) gaan snel, zeer snel, maar waar voornoemden de Basic Channel sound ingenieus in de dub en house-elementen incorporeren grijpt Boxcutter naast de onmiskenbare breakbeats op enkele tracks tevens terug op de sound van Autechre c. Tri Repetae. En dat is een primeur!

Het citeren van die classic is regelrecht af te horen aan tracks 3 en vooral 4. Maar het is niet simpelweg Autechre. Boxcutter weet de acidity, en op #4 de melodiciteit, van Autechre’s meesterwerk van de jaren negentig, te verpakken in regelrechte nu-techno. #4 is bovendien ronduit funky, op het commerciële af, en met zelfs wat quasi-Black Dog synths c. Spanners (#4 en #8) erin moet dit zo’n beetje de clubhit van het jaar worden. Het heeft zelfs in de verte een disco feel. De rest van de plaat blijft dichter bij de dubstep-technoblauwdruk. Uitstekende opvolger van Oneiric, waarbij de vraag rijst of hier nog steeds in de strikte zin sprake is van het genre “dance”.

The Field - From Here We Go SublimeFrom Here We Go Sublime van The Field vond ik een zwaar overschatte plaat. Daar zaten elementen in van jaren negentig Keulse ambient (denk aan het archeologisch gelaagde geluidstapijt van Sturm en Gas), gezet op een microhouse beat met her en der een verdwaalde vocaal of een verstopt disco-citaat. Zwaar repetitief en lichtelijk bedwelmend. Niet verkeerd, maar veel meer had het niet om ‘t lijf. Probleem was dat het, in tegenstelling tot Sturm en Gas, niet vernieuwend was maar sterk leentjebuur speelde bij de grootmeester Wolfgang Voigt en z’n broer Reinhard (Gas’ Wolfgang is dan ook labelbaas van The Field). Dat zie je ook gebeuren bij Stefan Betke’s Scape-stal: allemaal oninteressante epigonen van Pole.

Het dance-genre is met name slachtoffer van het genreficatiesyndroom: zodra een variatie plaatsgrijpt op een bestaande sound wordt een genus uit de species geabstraheerd, waarbij de differentia specifica minimaal is, bijna scholastisch, want een leek hoort het verschil niet. Schoolvorming is plichtmatig: je moet je aansluiten bij het gilde en je melden als leerling van de gildemeester. Dat smoort creativiteit in de kiem. De echte creativiteit, zoals altijd, ligt bij de uitvinders van de grootste genus, niet bij de specifiers. Het heeft daarom ook geen zin om, als collector van platen, je te specialiseren in een genre. Je bent het je kritische geest verplicht om te diversifiëren in je smaak, en de grootste genus (pl.) eruit te pikken: dus Gas en Sturm, niet The Field, hoe aangenaam het op het eerste gehoor ook is.

Hoe zit het dan met de nieuwe plaat? Naast de referenties aan Gas, hoor ik op het eerste nummer die fashionable Basic Channel sound, die, als we dan toch retro doen, we beter aan Detroit kunnen overlaten (check de fantastiche nieuwe Intrusion!). En die triangel op het laatst?? Track 2 is een tenenkrommende poging een lied te creëren uit repetitie en limpe soul. Teleurstelling! In het mooie titelnummer hoor ik een geloopte sample van schijnvocalen op een percussieve beat met een zwelgende synthlijn die de melodielijn bepaalt. De citaten zijn weer niet van de lucht. En begrijp me niet verkeerd: het is een behoorlijk aangenaam voortdenderend nummer dat, sterk modernistisch, abrupt overgaat in een vocale dubhouse-track en op de 7e minuut zowaar “echte” drums introduceert. Het wordt een beetje te veel een surrogaat Headhunters op deze manier. The More That I do, het volgende nummer, kenmerkt zich ook door die “gewone” drums, die in dance toch eigenlijk niet thuishoren. De manier waarop die worden gecombineerd met, opnieuw, die lijzige gesample schijnvocalen, en de gelaagde synths is redelijk fijn, maar zeker niet briljant. En dan de veel te lange (ruim 15 minuten) afsluiter Sequenced: een intro dat 13 minuten duurt om vervolgens weer die “echte” drums te horen tegen de achtergrond van een oneindig leeg veld van synths. Inaniteit troef hier. En de jazzrockvernieuwing die The Field probeert door te voeren in de dance is tien keer niks.

Burial feat. Four TetDe nieuwe 12″ van Burial cum Four Tet is een interessante kruisbestuiving. Kieran Hebden van Four Tet is een soort George Martin of Teo Macero van nu. Zijn productie van Sunburned Hand of the Man een jaar of wat terug leverde een fantastisch coherente plaat voor The Man op. Wat we hier krijgen voorgeschoteld is de volgende ontwikkeling in de dubstep: de combinatie van dubstep en folktronica. Op de b-kant hoor je echo’s van Four Tet’s eigen platen met die typische gamelaneffecten. Na zo’n tweeënhalve minuut verschijnt die overbekende dubstep beat: zie daar, dubtronicastep. De a-kant van deze 12 incher is, door die plaintive vocalen bekend van Untrue, het meer bekende hauntology-terrein van Burial, ofschoon ook hier een meer open sound wordt opgezocht. Wat je hoort is redelijk ver verwijderd van de oorspronkelijke duisternis van het debuut, en toch is de Burial signifier duidelijk aanwezig. Een toonvoorbeeld van overtuigende specificatie dat smaakt naar meer.

Advertisements
%d bloggers like this: