Een kleine vergelijkende studie naar boerka-humor

Afgelopen zomer stond er in de Volkskrant strip Sigmund een serie grappen waarin de gebruikelijke psychotherapeutische setting door afwezigheid schitterde. De grappen gingen nu opeens over boerka-dragende vrouwen op vakantie. Vakantietijd! In Nederland houden de media dan altijd op met het nieuws volledig te volgen, alsof we wel even een pauze verdiend hebben en onbekommerd mogen uitblazen aan het strand. Dan doe ik snel even wat van die boerka-grappen tussendoor, moet tekenaar Peter de Wit gedacht hebben, eens kijken of er mensen aanstoot nemen.  

Een voorbeeld. We zien in een tekening die één paneel beslaat twee zwarte boerkini (dwz over het gehele lichaam met doek bedekte vrouwen) met elkaar beach ball spelen in de zee. De ene vraagt: Maar hoe is het met jouw seksleven? Antwoordt de ander: Goed, ik heb elf kinderen.

Gregorius Nekschot

Erg geestig vind ik dit niet. Maar door het onderwerp moest ik opeens denken aan de humor van Gregorius Nekschot. Van hem is er bv een tekening met als titel: ‘Fatima verheugt zich op de grote vakantie‘. Een gedrochtelijke vrouw in chador (dwz met het gezicht nog vrij), met haar handen in vrome gebedshouding, maakt tevreden kijkend de opmerking: Lekker 6 weken binnen zitten in een ander land.

Waar zitten de verschillen?
In beide gevallen gaat het om een tamelijk verbale vorm van humor. De grap zit ’em in de woorden, de tekeningen kunnen schematisch zijn en voegen nauwelijks iets toe aan de woorden. Je zou je zelfs kunnen voorstellen dat de Nekschot grap ook door Sigmund gedaan zou kunnen zijn.

Maar bij Nekschot krijg je altijd een surplus van weerzin, uitgedrukt in de wanstaltige lichamelijkheid van de afgebeelde figuren. We zouden kunnen concluderen dat dat aspect niet-functioneel is: want zoals in de bovengenoemde grap is de specifieke lelijkheid van de vrouw niet ter zake doend voor de woorden zelf. Dat is het populistische aspect van Nekschot’s humor. Er zit in zijn kritiek op hoe sommige dingen er in Nederland aan toegaan een irrationeel element van fysieke afkeer, een ideologische ‘vertekening’ die de afgebeelden in een soort herhalingsdwang aapachtig en dierlijk moet uitbeelden. Daarin vindt hij een uitweg voor zijn cartooneske bedoelingen en, wie weet, zijn ressentiment. Want qua tekst blijft alles binnen de perken. Meestal laat hij door de afgebeelde figuur een bepaald geloof of traditioneel gebruik zo letterlijk mogelijk verwoorden.

Nekschots werk is monologisch (cf Bakhtin). Er spreekt maar één stem, die van de verafschuwde figuur, en die stem wordt geciteerd door het tegenovergestelde en hogere perspectief van ‘de tekenaar’. Het verschil is dan: zelfs in een zo onbenullig grapje van Sigmund is er dialoog, dus een vorm van intersubjectiviteit. Dialoog humaniseert, er is behalve het ene altijd nog een ander, normaler perspectief. 

Nu is het gekke dat ik Nekschot in uitzonderlijke gevallen toch wel geestig vind; Sigmund blijft mij behalve te flauw ook altijd te ‘normaal’. Vergeleken bij Nekschot is Sigmund de humor van de politiek-correcte middenklasse: al te gemakkelijk.

Advertisements
%d bloggers like this: