Tortoise – Beacons of Ancestorship [thrill jockey]

Tortoise - Beacons of AncestorshipToen de plaat begin mei gelekt werd tipte ik een collega en had ik het over de – naar ik dacht geniale – titel Beacons of Craftsmanship. Dat was in zekere zin een Freudiaanse verspreking. Binnen de indie in de Amerikaanse muziek waren er in de jaren negentig eigenlijk maar weinig echt goede, ambachtelijke muzikanten die verder gingen dan drie akkoorden, een vierkwartsmaat en wat distortion parafernalia. Naast verwante bands als Slint en de hele artrockscene van begin en mid-jaren negentig – denk Bastro, Rodan, June of 44, Codeine – was Tortoise de band die er met kop en schouders bovenuit stak. Standard-bearers of Craftsmanship in Rock. Muzikaliteit boven statement en pose, zeker tussen al dat al lang vergeten grungegebeuren. Niet in het minst kwam dat doordat Tortoise als geen ander het genre van rock tout court geheel ontsteeg.

Hun eerste concerten kan ik me herinneren als een naar mijn idee (hoe open-minded!?) lichtelijk teleurstellend vertoon van … inderdaad vakmanschap, nota bene op de marimba en vibrafoon, niet bepaald instrumenten die je associeert met coolness. Zelfs in de jazz was (en is) het behoorlijk uncool om vibes in je instrumentarium te hebben, laat staan als lead instrument te gebruiken. Charles Tyler’s ESP debuut uit 1966, een geniale plaat trouwens, was wat dat betreft een revolutie in de jazz. Wat ik destijds, in de Sleep Inn nog meen ik, hoorde kwam bij mij in ieder geval over als gratuit gepiel.
Die teleurstelling lag meer aan mijn behoefte aan een instant kick aan gitaristische tegendraadsheid, die in de jaren negentig plentiful werd geleverd door eigenzinnige bands als Trumans Water, Pavement en Polvo, om de drie belangrijkste te noemen, bands die juist van gepiel ook het een en ander afwisten. Maar dat was gepiel van een andere, minder sophisticated orde dan wat Tortoise presteerde. En minder sophisticated staat voor sommigen – en mezelf destijds – garant voor beter. Trumans Water’s debuut op de Nederlandse podia in het Patronaat in 1993 verwarde menigeen doordat het onduidelijk was wanneer de soundcheck nu was geëindigd en het concert begonnen. Pavement in het voorprogramma van Sonic Youth in Eindhoven anno 1992 maakte het al even bont, mede omdat hun beruchte drummer Gary Young nog achter de traps zat. Craftsmanship? Forget it. Showmanship perhaps. De kloof tussen de intense lo-fi slackerrock rond 1993 en Tortoise’s mathematische, ietwat zielloze constructies kon niet breder.

Tortoise luidde het einde in van de lo-fi. Laten we zeggen vanaf hun doorbraak Millions Now Living Will Never Die. Alles wat daarna, dus pakweg na 1996, aan lo-fi uit is gekomen is romantisch anachronisme. Tortoisemuziek kenmerkt zich door een transparant hi-fi geluid, iets wat tot 1996 vreemd was aan onafhankelijke rock, of zelfs taboe. Het ontbrak de meeste indierock aan – om met een titel van Polvo te spreken – production values. Millions Now Living verschaft de standaard, het baken voor heldere productie in onafhankelijke, non-mainstream muziek.
De plaattitel, overigens, lijkt te verwijzen naar de titel van Judge Rutherfords toespraak gericht aan een massa hoopvolle bijbelonderzoekers in 1919, die meenden nooit te zullen sterven omdat God elk moment kon ingrijpen in het wereldgebeuren. Voor zover ik weet is deze typisch Amerikaanse ironie nooit opgepikt in recensies van wat algemeen wordt gezien als Tortoise’s meesterwerk – Tortoise als een tongue-in-cheek ode aan Amerikaans evangelisme! De strakheid van Tortoise symboliseert de midwest mentaliteit van de gemiddelde bijbelvaste Amerikaan, waar Steely Dan, als prototypisch voor de amoraliteit van Los Angeles, volkomen werelds is en Sonic Youth een Neoyorkiaans moralisme – protestants! – uitstraalt.

De plaat zelf is een indrukwekkend epos in door krautrock beïnvloede exercities in sound design. Ik ben persoonlijk niet zo’n fan van de plaat; dat is puur subjectief, want ik kan niet aanwijzen waarom. Opvolger TNT, die destijds een regen van kritiek te verduren kreeg, is mijns inziens het echte meesterwerk. Een jazzrocklounge-plaat die laat zien dat Tortoise muzikaal de ankerplaats van de rock en hardcore vol vertrouwen heeft verlaten, in de richting van Steely Dan circa Aja en weg van het template van aartsrockers Sonic Youth (als Tortoise daar ooit al iets aan ontleend heeft). De eerste ook waarop ze veelvuldig gebruik maakten van ProTools: digitalisering als kunstzinnig adieu aan de romantiek van rock.

TNT zou nu voor de hifi freaks moeten zijn wat Aja was in de jaren zeventig. TNT zou op elke high end draaitafel als test copy moeten worden gespeeld. Clean, clear en meticulous. MU-ZI-KA-LI-TEIT. Dat zijn vieze woorden in de indierock en -pop. En daarom is Tortoise, met name op TNT en opvolgers Standards en vooral het onvolprezen It’s All Around You, ook de nemesis van lo-fi indieshit post-1996, dat onkunde post factum sublimeert tot absolute waarde. En met post factum bedoel ik de boodschap die verscholen ligt in de eerder vernoemde titel Millions Now Living: dat is niet in eerste instantie een boodschap van hoop (want waarop?), maar vooraleer een verborgen aanklacht aan het adres van de wereld van de rock, die alleen gehoord kan worden door de uitverkorenen, namelijk hen met OREN die luisteren. Als Millions het al niet was, dan is TNT de absolute indictment van de rock die zich niet vergewist heeft van dit feit. Tortoise is op een belangrijk punt ook verder dan Steely Dan. Want wat Tortoise onderscheidt van Steely Dan, die in hun teksten teveel leunen op quasi-ironische referenties aan gefrusteerde burgermannen in hun midlife crisis (zeker op hun laatste twee overigens uitstekende comeback albums), is het typische non-communicatie ethos van indiepop, dat bij Tortoise culmineert in het volledig ontbreken van vocalen. Ironie is nog te burgerlijk; indifferentie is effectiever.
De vraag rijst nu: heeft Tortoise zich zelf gehouden aan de parameters die met TNT waren gestipuleerd? Standards en It’s All Around You waren bevestigingen van het beschikbare, kritische klankenpalet dat TNT uitstippelde. Vaak wordt gesproken over diminishing returns, met als “dieptepunt” It’s All Around You. Ook daar verschil ik met de critici. Wat de op het eerste gezicht polychrome hoes in beelden zei kwam goed door in het geluid: It’s Alll Around You levert classic pop zonder lyriek, zonder valse romantiek, en zonder primitivisme. Tussen It’s All Around You en laatste Beacons of Ancestorship ligt ruim 5 jaar, een lange tijd, waarin Tortoise zich bezinde op de toekomst (in de tussentijd brachten ze het onmisbare allegaartje A Lazarus Taxon en een LP met opmerkelijke covers gezongen door Bonnie Prince Billy uit).

Het resultaat van die reflectieperiode is verbluffend. Beacons of Ancestorship is een beest van een plaat, zeker de eerste helft. Opener High Class Slim Came Floatin‘ In is een ritmisch vehikel waaroverheen een filmische melodie wordt doorspekt met een zware distorted (compressed?) synthriff. De sound is spectraal. De bekkens sissen op weloverwogen momenten. Het tempo wisselt, minder gehaast, na de 2e minuut, het synthgeluid wordt nog spectraler met goed gedoseerde percussieslagen. Om dan bij 4:44 weer terug te keren naar shock & awe distortion op de synthesizer met ditto staccato ritmepatroon, waaruit langzamerhand de eerdere melodie weer opklimt om te eindigen in een waas van door een simpel, doch fors bas- en synthloopje aangestuurd … hmm, ja, spectraliteit. Dit is gewoon je reinste zelfbewustwordingsproces in klanken.
Die absoluut heldere positie, het zelf dat zichzelf hoort weerklinken, is het vertrekpunt van Prepare Your Coffin; ja inderdaad, de titel had niet paradoxaler gekund. Het is het meest open geluid van de plaat. Die titel is een Sein zum Tode-verklaring zonder metafysica: Nirvana, het Niets. Oftewel evenwicht. Tortoise klinkt als de perfecte backing band zonder leader. Heel prettig ook die in indierocktermen volstrekt foute gitaarsolo na 2 minuten in, met bijpassende pianoriff. Het slot van Prepare Your Coffin ligt in het volgende nummer: het intro van Northern Something, een combinatie van akoestisch zuiver geklap en digitaal gecomprimeerde riffs, verenigt de dubbelheid die in het vorige nummer nog open en bloot lag. De akoestische, lichte gitaar, de floor toms en de urgente snare drum van Gigantes brengt vervolgens wat ongecomprimeerde luchtigheid. Penumbra is een heerlijk tussenwerpsel van electronische drums en synths.
Wat daarna komt overtuigt niet: het Chinees getitelde Yinxianghechengqi is een monomaan uitgevoerde oefening in riffologie, met de vinger permanent op de compressieknop. Je zou anderzijds kunnen zeggen dat, in het midden van de plaat, het een terugval symboliseert in de rockpose. In dat opzicht past het in het dialectische geheel van de plaat, en is het een directe kritiek op op luistergenot gefocust luisteren. Het nummer eindigt wel weer mooi met spectraal geïmproviseer. Op The Fall of Seven Diamonds Plus One hoor je het ouderwetse TNT loungegeluid, met orgel en een vage Pink Floyd referentie (dat sonore getik dat je door het hele nummer heen hoort doet denken aan Time van Dark Side of the Moon).
Vanaf Minors tot het einde lijkt de automatische piloot ingeschakeld te worden. Maar dat mag ook gerust, want de piek, het punt van het zichzelf transparante bewustzijn van wat GELUID is, heeft zich al aangediend. De tweede helft van de plaat is het Schlaraffenland van Tortoisemuziek. Ze kunnen nu gerust denken aan de volgende zet, de volgende plaat.

[deze recensie verscheen eerder op cut-up.com]

Advertisements
%d bloggers like this: